De 1e brief van Johannes
Hieronder een voorbeeldtekst om een indruk te geven van de studiebijbel waaraan het project werkt. Deze Bijbelvertaling heeft als basis de Statenvertaling en de NBG’51, met daarbij aanpassingen gebaseerd op de Aramese Peshitta en Griekse grondteksten. Aan deze tekst wordt nog gewerkt, en ook al doen we ons uiterste best, toch kan ons werk enkele fouten bevatten. Desondanks denken we dat het zeer waardevol is om daarmee dieper de waarheid te leren kennen.
| KIND VAN SATAN | KIND VAN GOD |
|---|---|
| 1Met de wereld wordt hier verwezen naar alle mensen die nog naar de lusten van hun vlees wandelen. (1Joh 2:16-18, Tit 2:11-12, Joh 16:8, Gal 5:24) Elke zonde komt voort uit de vleselijke wil, daarom worden we ook opgeroepen die te kruisigen. (Jak 1:13-15, Rom 8:5-8, 13, 2Pet 1:3-4, 1Pet 2:18, Gal 5:24, Gal 6:14) 2Waarschijnlijk verwijst dit ook naar een verheerlijkt en onsterfelijk lichaam en een volkomen herstelde ziel. 3Werkelijk zien, kennen en doorgronden, zonder enige bedekking. (Jes 25:7) | 3 3:1 Zie hoe overvloedig de liefde van de Vader naar ons is: in dat Hij ons [Zijn] kinderen noemt. Daarom kent de wereld1 ons niet, omdat zij Hem niet kent. 3:2 Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en tot nu toe is het nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat wanneer Hij (Jesjoea de Gezalfde) geopenbaard zal zijn, wij in Zijn evenbeeld2 zullen zijn, en wij zullen Hem zien3 gelijk Hij is. |
| 3:3 Iedereen die deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelf (van zonde) gelijk Hij rein is.4 | |
| 4Zodat we bij Hem horen en één zijn in een verbondrelatie met Hem. Door ons te reinigen van de werken van de duisternis komen we uit de duisternis en kunnen we in het licht komen zoals God in het licht is. (1Joh 1:5-7) Alleen dan kunnen we innige gemeenschap met Hem hebben. Want wat voor gemeenschap heeft duisternis met Hem? (2Kor 6:14-7:1) | |
| 3:4 Maar wie zondigt, overtreed ook de Wet, want elke zonde is wetteloosheid.5 | 5Gods Wet geeft de kaders aan van Zijn verbond. De Wet maakt duidelijk door welke daden we het verbond schenden en overtreden. (Rom 3:20, 7:7, Jak 2:8-12, Mat 7:23) |
| 3:5a En jullie weten dat Hij (de Gezalfde) geopenbaard is om onze zonden weg te nemen (uit onze levenswandel); … | |
| 6Doelt Johannes hier ook op Zijn lichaam / gemeente? 7Zij houden zichzelf rein, de satan heeft geen vat op hen, zoals Johannes later in deze brief schrijft. (1Joh 5:18) | 3:5b …en dat in Hem geen zonde is.6 3:6a Iedereen die in Hem blijft, zondigt niet.7 |
| 3:6b Iedereen die zondigt8, heeft Hem niet gezien9 en evenmin heeft diegene Hem gekend.10 | 8De Schrift maakt onderscheid tussen bewust en onbewust zondigen, met kennis dat het slecht is en zonder kennis. (Jak 4:17) Waarschijnlijk gaat het hier om bewust Gods Wet overtreden. Iemand die zich bekeert heeft van zijn zonden en God kent, die wil niet zondigen en neemt maatregelen om zichzelf daarvoor te bewaken. 9Die heeft nooit werkelijk begrepen (geestelijk kunnen zien) wie Jesjoea is: wat Hij leert en waarvoor Hij werkelijk staat 10Zonde maakt scheiding tussen God en ons. Kan iemand dan, zolang die in zonde blijft wandelen, werkelijk relatie hebben met God en Zijn Gezalfde, Jesjoea? (1Joh 2:15, 1:7) |
| 3:7a Kinderen, laat niemand u misleiden! | |
| 11Dit is alleen werkelijkheid voor hen die zichzelf gereinigd hebben van onrechtvaardigheid en rechtvaardig zijn gaan wandelen, zoals ook vers 3 daarover spreekt. (Eze 18:27-28) | 3:7b Wie doet wat rechtvaardig is, is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is.11 |
| 3:8a Wie zondigt, is uit de satan, want vanaf het begin zondigt de satan.12 | 12De satan is de vader / bron van de zonde (al het slechte) tegenover dat God de Vader / Bron is van al het goede (alle rechtvaardigheid). (Joh 8:44, Jak 1:17, 1Joh 1:5-7, 1Tim 6:15-16, Deut 32:39, Mat 6:13, 11:25-27, 19:17, 24:36, 28:17-18) |
| 3:8b En hiervoor is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de satan verbreken zou.13 | |
| 13Het gaat hier om de werken die wij mensen doen, die niet voortkomen uit God maar uit de satan. God heeft Zijn Zoon geopenbaard, niet alleen om te sterven voor onze zonden, maar ook om door het verkondigen van de waarheid, ons los te maken van onze zonden. (Gal 5:13, Rom 6:18, 1Pet 1:22) De zonden in ons leven te vernietigen. (Joh 8:30-45, Luk 1:74-75) Zodat wij werkelijk vrij zijn en die goede boom zijn waaraan geen slechte vruchten meer groeien. (Mat 12:33) | |
| 14Diegene is gestorven voor de zonde doordat hij zijn vleselijke wil heeft gekruisigd en die niet langer over hem regeert, maar Gods Geest. (Gal 5:24, Rom 8:12-13, 1Pet 4:1-2) | 3:9 Wie uit God geboren is, zondigt niet, want Zijn zaad is in hem; diegene kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is.14 |
| 3:10a Hierdoor worden de kinderen van God onderscheiden van de kinderen van satan. | |
| 3:10b Iedereen die de rechtvaardigheid niet doet en zijn broeder en zuster niet liefheeft, [die] is niet uit God.15 | 15En dus ook niet wedergeboren en een kind van God. |
|
16(Lev 19:18, Rom 13:10)
|
3:11 Want dit is het gebod dat jullie vanaf het begin gehoord hebben: dat wij elkaar [moeten] liefhebben.16 |
| 3:12 Niet zoals Kaïn, die uit de slechte (satan) was en zijn broeder doodsloeg.17 En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken slecht waren,18 en die van zijn broeder rechtvaardig. | 17Hij deed de werken van de satan waarover vers 8 spreekt. (Joh 8:44) 18Aan de vruchten herken je de boom. (Mat 7:18-23) Onze werken getuigen van ons of we uit God zijn of uit de satan |
| 3:13 Verbaas u niet, mijn broeders en zusters, wanneer de wereld19 jullie haat | |
| 19De mensen die naar hun vleselijke wil leven. (1Joh 2:16-18, Joh 16:8, Gal 5:24) | |
| 20Uit de wereld / duisternis overgestoken naar het licht. De werken van de duisternis en het vlees achter zich gelaten voor een wandel in rechtvaardigheid. | 3:14a Wij weten dat wij zijn overgegaan uit de dood in het leven,20 omdat wij de broeders en zusters liefhebben; |
| 3:14b Wie broeder en zuster niet liefheeft,21 blijft in de dood. 3:15 Want iedereen die zijn broeder of zuster haat, is [gelijk aan] een moordenaar22; en u weet dat het eeuwige leven niet verblijft bij iemand die een moordenaar is. | 21Niet liefhebben is in Gods ogen haten. 22Op een bepaalde manier verschild zijn hart niet met dat van een moordenaar |
| 3:16 Wij hebben zijn liefde voor ons leren kennen23 doordat Hij (Jesjoea) in onze plaats Zijn leven heeft gegeven; en [zo] zijn wij verschuldigd ons leven te geven voor onze broeders en zusters. | |
| 23Johannes verwijst naar het ware voorbeeld van liefhebben als de liefde waarin wij ook horen te wandelen. Hiervoor heeft God ook Zijn Zoon geopenbaard. (Efe 5:25) | |
| 3:17 Wie dan de goederen bezit voor het levensonderhoud in deze wereld (geld/kleding/onderdak), en zijn broeder of zuster gebrek ziet lijden, maar zijn hart voor hem toesluit, hoe kan de liefde van God dan in hem verblijven? | |
| 3:18 Mijn kinderen, laten wij niet liefhebben met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid.24 | |
| 24Anders blijven we in de duisternis, de dood, en wandelen we niet in het licht / de liefde / waarheid. Johannes legt hier uit dat als wij onze goederen / bezit niet delen met onze broeder of zuster die gebrek lijd, wij door gebrek aan deze daad bij de duisternis horen, ons hart hebben toegesloten voor onze broeder of zuster, hem in werkelijkheid niet liefhebben maar haten, en daarmee gelijk zijn aan een moordenaar. Johannes wijst ons erop dat onze daden een essentieel onderdeel zijn van onze zaligheid. Onze zaligheid hangt daarom ook niet alleen af van ons vertrouwen, maar ook van onze bekering van onze zonden naar een wandel in rechtvaardigheid (het doen van het goede). | |
| DOOD | LEVEN |


