De 1e brief van Johannes
Hieronder een voorbeeldtekst om een indruk te geven van de studiebijbel, waaraan het project werkt. Deze Bijbelvertaling heeft als basis de Statenvertaling en de NBG’51, met daarbij aanpassingen gebaseerd op de Aramese Peshitta en Griekse grondteksten. Aan deze tekst wordt nog gewerkt, en ook al doen we ons uiterste best, toch kan ons werk enkele fouten bevatten. Desondanks denken we dat het zeer waardevol is om daarmee dieper de waarheid te leren kennen.
Versie 2.28 – Copyright 2026 – Dit werk mag in zijn geheel vrij worden gekopieerd en doorgegeven, zolang daar geen geld voor wordt gevraagd. Hiervoor hoef je geen toestemming te vragen. Graag een vermelding plaatsen. Wil je voor Gods eer en de bouw van Zijn Koninkrijk gedeelten kopiëren en aanpassen, neem dan gerust contact met ons op. info@Bijbel-Zwaard.nl
| KIND VAN SATAN | KIND VAN GOD |
|---|---|
| 1Met de wereld wordt hier verwezen naar alle mensen die nog naar de lusten van hun vlees wandelen. (1Joh 2:16-18, Tit 2:11-12, Joh 16:8, Gal 5:24) Elke zonde komt voort uit de vleselijke wil, daarom worden we ook opgeroepen die te kruisigen. (Jak 1:13-15, Rom 8:5-8, 13, 2Pet 1:3-4, 1Pet 2:18, Gal 5:24, Gal 6:14) 2Waarschijnlijk verwijst dit ook naar een verheerlijkt en onsterfelijk lichaam en een volkomen herstelde ziel. 3Werkelijk zien, kennen en doorgronden, zonder enige bedekking. (Jes 25:7) | 3 3:1 Zie hoe overvloedig de liefde van de Vader naar ons is: in dat Hij ons [Zijn] kinderen noemt. Daarom kent de wereld1 ons niet, omdat zij Hem niet kent. 3:2 Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en tot nu toe is het nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat wanneer Hij (Jesjoea de Gezalfde) geopenbaard zal zijn, wij in Zijn evenbeeld2 zullen zijn, en wij zullen Hem zien3 gelijk Hij is. |
| 3:3 Iedereen die deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelf (van zonde) gelijk Hij rein is.4 | |
| 4Zodat we bij Hem horen en één zijn in een verbondrelatie met Hem. Door ons te reinigen van de werken van de duisternis komen we uit de duisternis en kunnen we in het licht komen zoals God in het licht is. (1Joh 1:5-7) Alleen dan kunnen we innige gemeenschap met Hem hebben. Want wat voor gemeenschap heeft duisternis met Hem? (2Kor 6:14-7:1) | |
| 3:4 Maar wie zondigt, overtreed ook de Wet, want elke5 zonde is wetteloosheid.6 | 5Dit staat in de Aramese grondtekst / Peshitta. 6Gods Wet geeft de kaders aan van Zijn verbond. De Wet maakt duidelijk door welke daden we het verbond schenden en overtreden. (Rom 3:20, 7:7, Jak 2:8-12, Mat 7:23) |
| 3:5a En jullie weten dat Hij (de Gezalfde) geopenbaard is om onze zonden weg te nemen (uit onze levenswandel); … | |
| 7Doelt Johannes hier ook op Zijn lichaam / gemeente? 8Zij houden zichzelf rein, de satan heeft geen vat op hen, zoals Johannes later in deze brief schrijft. (1Joh 5:18) | 3:5b …en dat in Hem geen zonde is.7 3:6a Iedereen die in Hem blijft, zondigt niet.8 |
| 3:6b Iedereen die zondigt9, heeft Hem niet gezien10 en evenmin heeft diegene Hem gekend.11 | 8De Schrift maakt onderscheid tussen bewust en onbewust zondigen, met kennis dat het slecht is en zonder kennis. (Jak 4:17) Waarschijnlijk gaat het hier om bewust Gods Wet overtreden. Iemand die zich bekeert heeft van zijn zonden en God kent, die wil niet zondigen en neemt maatregelen om zichzelf daarvoor te bewaken. 9Die heeft nooit werkelijk begrepen (geestelijk kunnen zien) wie Jesjoea is: wat Hij leert en waarvoor Hij werkelijk staat 10Zonde maakt scheiding tussen God en ons. Kan iemand dan, zolang die in zonde blijft wandelen, werkelijk relatie hebben met God en Zijn Gezalfde, Jesjoea? (1Joh 2:15, 1:7) |
| 3:7a Kinderen, laat niemand u misleiden! | |
| 11Dit is alleen werkelijkheid voor hen die zichzelf gereinigd hebben van onrechtvaardigheid en rechtvaardig zijn gaan wandelen, zoals ook vers 3 daarover spreekt. (Eze 18:27-28) | 3:7b Wie doet wat rechtvaardig is, is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is.12 |
| 3:8a Wie zondigt, is uit de satan13, want vanaf het begin zondigt de satan.14 | 12Satan is een Hebreeuws woord dat tegenstander betekend. 13De satan is de vader / bron van de zonde (al het slechte), tegenover dat God de Vader / Bron is van al het goede (alle rechtvaardigheid). (Joh 8:44, Jak 1:17, 1Joh 1:5-7, 1Tim 6:15-16, Deut 32:39, Mat 6:13, 11:25-27, 19:17, 24:36, 28:17-18) |
| 3:8b En hiervoor is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de satan verbreken zou.14 | |
| 13Het gaat hier om de werken die wij mensen doen, die niet voortkomen uit God maar uit de satan. God heeft Zijn Zoon geopenbaard, niet alleen om te sterven voor onze zonden, maar ook om door het verkondigen van de waarheid, ons los te maken van onze zonden. (Gal 5:13, Rom 6:18, 1Pet 1:22) De zonden in ons leven te vernietigen. (Joh 8:30-45, Luk 1:74-75) Zodat wij werkelijk vrij zijn en die goede boom zijn waaraan geen slechte vruchten meer groeien. (Mat 12:33) | |
| 14Diegene is gestorven voor de zonde doordat hij zijn vleselijke wil heeft gekruisigd en die niet langer over hem regeert, maar Gods Geest. (Gal 5:24, Rom 8:12-13, 1Pet 4:1-2) | 3:9 Wie uit God geboren is, zondigt niet, want Zijn zaad is in hem; diegene kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is.15 |
| 3:10a Hierdoor worden de kinderen van God onderscheiden van de kinderen van satan. | |
| 3:10b Iedereen die de rechtvaardigheid niet doet en zijn broeder en zuster niet liefheeft, [die] is niet uit God.16 | 15En dus ook niet wedergeboren en een kind van God. |
|
16(Lev 19:18, Rom 13:10)
|
3:11 Want dit is het gebod dat jullie vanaf het begin gehoord hebben: dat wij elkaar [moeten] liefhebben.17 |
| 3:12 Niet zoals Kaïn, die uit de slechte (satan18) was en zijn broeder doodsloeg.19 En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken slecht waren,20 en die van zijn broeder rechtvaardig. | 18(zie vers 8a) 19Hij deed de werken van de satan waarover vers 8 spreekt. (Joh 8:44) 20Aan de vruchten herken je de boom. (Mat 7:18-23) Onze werken getuigen van ons of we uit God zijn of uit de satan |
| 3:13 Verbaas u niet, mijn broeders en zusters, wanneer de wereld21 jullie haat | |
| 19De mensen die naar hun vleselijke wil leven. (1Joh 2:16-18, Joh 16:8, Gal 5:24) | |
| 20Uit de wereld / duisternis overgestoken naar het licht. De werken van de duisternis en het vlees achter zich gelaten voor een wandel in rechtvaardigheid. | 3:14a Wij weten dat wij zijn overgegaan uit de dood in het leven,22 omdat wij de broeders en zusters liefhebben; |
| 3:14b Wie broeder en zuster niet liefheeft,23 blijft in de dood. 3:15 Want iedereen die zijn broeder of zuster haat, is [gelijk aan] een moordenaar24; en u weet dat het eeuwige leven niet verblijft bij iemand die een moordenaar is.25 | 22Niet liefhebben is in Gods ogen haten. 23Op een bepaalde manier verschild zijn hart niet met dat van een moordenaar 24(Open 21:7-8, 22:14-15) |
| 3:16 Wij hebben zijn liefde voor ons leren kennen26 doordat Hij (Jesjoea) in onze plaats Zijn leven heeft gegeven; en [zo] zijn wij verschuldigd ons leven te geven voor onze broeders en zusters.27 | |
| 25Johannes verwijst naar het ware voorbeeld van liefhebben als de liefde waarin wij ook horen te wandelen. Hiervoor heeft God ook Zijn Zoon geopenbaard. (Efe 5:25) 26Het verschrikkelijke lijden dat Jesjoea voor ons gedragen heeft, laat zien wie God de Vader is en het beeld waarnaar wij horen gevormd te worden. (2Kor 4:4) | |
| 3:17 Wie dan de goederen bezit voor het levensonderhoud in deze wereld,29 en zijn broeder of zuster gebrek ziet lijden, maar zijn hart voor hem toesluit, hoe kan de liefde van God dan in hem verblijven? | 29 Eten / kleding / onderdak. (1Tim 6:8, 6:17-18, Rom 12:13, Mat 25:35, Luk 3:11, Jak 2:15-16, Spr 22:9, Spr 28:27, Han 20:35, 1Pet 4:10, Jes 58:7, Jes 58:10) |
| 25Anders blijven we in de duisternis, de dood, en wandelen we niet in het licht / de liefde / waarheid. Johannes legt hier uit dat als wij onze goederen / bezit niet delen met onze broeder of zuster die gebrek lijd, wij door gebrek aan deze daad bij de duisternis horen, ons hart hebben toegesloten voor onze broeder of zuster, hem in werkelijkheid niet liefhebben maar haten, en daarmee gelijk zijn aan een moordenaar. Johannes wijst ons erop dat onze daden een essentieel onderdeel zijn van onze zaligheid. Onze zaligheid hangt daarom ook niet alleen af van ons vertrouwen, maar ook van onze bekering van onze zonden naar een wandel in rechtvaardigheid (het doen van het goede). 26Door in relatie met God vrucht te dragen zullen we weten. 27In het Aramees staat hier: “voordat Hij komt.” | 3:18 Mijn kinderen, laten wij niet liefhebben met [alleen] woorden en de tong, maar door daden en waarheid (oprechtheid).28 3:19 En hierdoor zullen we kennen29 dat wij uit de waarheid zijn, en zullen we onze harten verzekeren voor Hem30. |
| 3:20 Want als ons hart [ons] veroordeelt,31 hoeveel te meer God; Die alle dingen kent en groter is dan ons hart?32 | |
| 28God heeft ons een geweten gegeven dat via ons hart/denken ons aanklaagt wanneer we iets doen waarvan we weten dat het niet goed is. Ons geweten is een belangrijke hulp om uit de duisternis te komen en in het licht (de waarheid) te blijven wandelen. (Rom 2:15, 9:1, 13:5, 1Tim 1:5, 1Tim 1:19, 1Tim 4:2, Tit 1:15, Heb 9:14) 29Niet is verborgen voor God; Hij doorziet elke overleggingen van ons hart. Hij weet voor de tijd de woorden die wij zullen spreken. Ja de toekomst licht voor Hem open en bloot. (Psa 139:1-6) | |
| 30Johannes heeft het hier over vrijmoedigheid in verband met het bidden waarover hij in het volgende vers spreekt. Hierin speelt ons geweten een belangrijke rol, wanneer we althans de waarheid kennen. 31(Spr 28:9, Joh 9:31, Jak 5:16, Spr 11:23) 32(Joh 15:12) Jesjoea zelf definieer voor ons, dat geloven in Zijn Naam nauw verbonden is met het doen van wat Hij gezegd en voorgeleefd heeft. (Luk 6:46, Joh 13:15-17, 8:46b, Joh 8:51, Joh 14:21) 33Kennen gaat vaak verder dan alleen het weten/begrijpen. Dit kennen is verbonden met relatie hebben. Naar dit kennen verwijst Johannes op verschillende manieren in deze brief. (1Joh 2:3, 2:13-14, 3:1, 3:6, 4:6-8, 4:13, 5:2) | 3:21 Geliefden! Als ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God;33 3:22 En dat wat wij [Hem] verzoeken, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren en doen wat voor Hem welgevallig is.34 3:23 En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jesjoea de Gezalfde en elkander liefhebben gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.35 3:24 En wie Zijn geboden bewaart blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan kennen36 wij, dat Hij in ons verblijft, [namelijk] door de Geest die Hij ons gegeven heeft. |
| DOOD | LEVEN |


