De Romeinenbrief

Hieronder een voorbeeldtekst om een indruk te geven van de studiebijbel, waaraan het project werkt. Deze Bijbelvertaling heeft als basis de Statenvertaling en de NBG’51, met daarbij aanpassingen gebaseerd op de Aramese Peshitta en Griekse grondteksten. Aan deze tekst wordt nog gewerkt, en ook al doen we ons uiterste best, toch kan ons werk enkele fouten bevatten. Desondanks denken we dat het zeer waardevol is om daarmee dieper de waarheid te leren kennen.

Versie 1.28 – Copyright 2026 – Dit werk mag vrij worden gekopieerd en doorgegeven, zolang daar geen geld voor wordt gevraagd. Hiervoor hoef je geen toestemming te vragen. Graag een vermelding plaatsen. Wil je voor Gods eer en de bouw van Zijn Koninkrijk gedeelten kopiëren en aanpassen, neem dan gerust contact met ons op. info@Bijbel-Zwaard.nl


Best bekeken in liggende modus
ROMEINEN 2 & 3
DUISTERNIS / MIXLICHT / PUUR
2 2:1 Daarom, o mens1, wie je ook bent die anderen oordeelt, je bent niet te verontschuldigen; want waarin jij een ander oordeelt, veroordeel je jezelf, omdat jij die oordeelt dezelfde dingen doet. 2:2 En wij weten dat het oordeel van God over degenen die zulke dingen doen, naar waarheid is (terecht is). 2:3 Maar denk jij, o mens, die hen oordeelt die zulke dingen doen, en hetzelfde doet; dat jij aan het oordeel van God zult ontkomen? 2:4 Of veracht2 je de rijkdom van Zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid van God je tot bekering leidt?3 2:5 Maar naar de mate van je eigenwijs en onbekeerde hart4 verzamel je voor jezelf toorn op, voor de dag van toorn en openbaring van Gods rechtvaardig oordeel.5 1Paulus spreekt hier hen aan die weten wat zonde is en dat God dat veroordeelt, maar zichzelf daarvan nog niet bekeerd hebben.
2Wanneer wij ons niet bekeren van de bewuste zonden in ons leven, dan verachten we Gods goedertierenheid en geduld.
3De tijd die God ons geeft, voordat Hij ons naar onze werken zal oordelen, is tijd waarin God ons de gelegenheid geeft om tot inkeer te komen en ons te bekeren van die werken. De wetenschap van Gods goedertierenheid behoort in ons respect en dankbaarheid te bewerken, iets dat ons motiveert om ons volledig te bekeren.
4In de Bijbel wordt met ‘hart’ vaak verwezen naar ons ‘denken’. (Gen 6:5, Gen 8:21 & Gen 17:17, Spr 2:2, Spr 7:7 & Spr 24:2, Neh 6:8, Jer 31:33, Heb 8:8 & Heb 10:16, Mar 7:21, Luk 5:22)
5Dit is het thema waar Paulus in deze verzen over spreekt. Hij legt uit wie wel en wie niet het eeuwige leven zal ontvangen. Dit is deel van het evangelie, zoals hij schrijft in vers 16.
2:6 Die iedereen (gelovigen en ongelovigen) zal vergelden naar zijn daden (werken)6
6(Mat 25:34-36, 1Pet 1:14-17, Open 3:15-16 & Open 20:12-13, Pre 12:13-14, Jer 17:10, 2Kor 5:10, Gal 6:7) Zoals Paulus ook in de volgende verzen uitlegt.
7Het tegenovergestelde is het kwade doen. (Mat 7:19)
8(Spr 21:21, Gal 2:17)
2:7 …aan hen die door te volharden in het doen van het goede7, zoeken naar heerlijkheid, eer en onsterfelijkheid, aan hen geeft Hij het eeuwige leven.8
2:8 Maar wie eigenwijs zijn en niet de waarheid gehoorzamen maar de onrechtvaardigheid,9 zal Hij vergelden met toorn en woede.10 2:9 Verdrukking en benauwdheid komt over iedereen die het kwade bewerkt, eerst over de Jood, en zo ook over [hen uit] de volkeren… 9 ROMEINEN 6:6 “Weten jullie niet dat aan wie je jezelf als dienaar (slaaf) beschikbaar stelt om te gehoorzamen, je een dienaar (slaaf) bent van wie je gehoorzaamt: of van de zonde [wat ons leidt] naar de dood, of van de gehoorzaamheid [wat ons leidt] tot gerechtigheid (vergeving en het eeuwige leven, Rom 2:13, Rom 6:22, Jak 1:25).”
10(1Pet 4:17-19)
11Het tegenovergestelde is het kwade bewerken.
12God trekt het ene volk niet voor op het andere. Of we nu fysiek besneden of onbesneden zijn, Jood of niet-Jood, dat maakt Gods oordeel of we het eeuwige leven mogen ontvangen niet makkelijker of moeilijker. Een ieder zal niet geoordeeld worden naar zijn status, maar naar zijn werken, de vruchten die er aan de boom hangen. (Luk 3:9, Luk 6:43-45, 1Kor 7:19, Rom 2:6) Vandaar ook dat de hele context spreekt over werken en daders zijn van Gods Wet / Woord.
2:10 …maar heerlijkheid, eer en vrede over ieder die het goede bewerkt11, eerst over de Jood, en zo ook over [hen uit] de andere volkeren. 2:11 Want er is geen aanzien naar de persoon bij God.12
2:12 Want zij die zonder de Wet gezondigd hebben, zullen ook zonder de Wet verloren gaan, en zij die met [kennis van] de Wet gezondigd hebben, zullen door de Wet geoordeeld worden.13 2:13a Want niet zij die de Wet horen14 zijn immers rechtvaardig voor God… 13Het tegenovergestelde is niet zondigen en de Wet gehoorzamen, dus niet alleen een hoorder zijn.
14Alleen kennis hebben van wat de Wet zegt over wat goed en wat kwaad is in de ogen van God, maakt niet dat we in Zijn ogen rechtvaardig wandelen. Als we geen daders zijn van wat God zegt, dan zijn we onrechtvaardig, deel van hen die het kwade bewerken.
15Dit verwijst naar het mogen ontvangen van eeuwig leven. (Zie vers 7) We zullen het leven niet ontvangen wanneer ons geloof dood is en niet de werken doet waartoe God ons oproept. (Jak 2:24, 1Joh 3:7A, Rom 3:31)
16Omdat de oude natuur zich niet kan onderwerpen aan Gods Wet en die dus ook niet doen, weten we dat het hier moet gaan over de nieuwe natuur, de nieuwe mens die een nieuw hart heeft ontvangen.(Rom 8:7, 2Pet 1:4, Eze 18:31, Eze 36:26-27)
17Dit getuigt ervan dat God de wet van zonde (Rom 7:23) van het hart heeft kunnen afsnijden en Zijn Wet daarvoor in de plaats heeft kunnen schrijven. Dit is een besneden hart. (Zie vers 29)
18Dit kan verwijzen naar het geweten. Het geweten dat zo belangrijk is om naar te luisteren. (1Tim 1:19, 1Tim 3:9, 1Tim 4:2, Rom 13:5, 1Joh 3:20-21
2:13b …maar de daders van de Wet, [zij] zullen gerechtvaardigd worden.15 2:14 Want wanneer de [mensen uit de andere] volken, die niet de Wet [op schrift] hebben, vanuit hun [nieuwe]16 natuur de dingen doen die overeenkomstig de Wet zijn, zijn zij, hoewel zij de Wet niet [op schrift] hebben, zichzelf tot Wet. 2:15 Zij tonen [dat] het werk van de Wet geschreven is in hun hart17, en hun geweten is daar getuige van; [doordat] zo ook beschuldigen of verontschuldigen hun overdenkingen18 elkander onderling.
2:16 [Zo zal het zijn] op de dag wanneer God de verborgen daden van de mensen zal oordelen overeenkomstig mijn Evangelie (zoals hij in voorgaande verzen uitlegde), door Jesjoea de Gezalfde (Gods eeuwige Woord).19 2:17 Zie, je20 wordt Jood21 genoemd, je steunt op de Wet en roemt in God. 2:18 Je kent Zijn wil en weet te onderscheiden wat goed is, omdat je onderwezen bent uit de Wet.22 2:19 Daarbij ben je van jezelf overtuigd dat je een gids bent voor wie blind zijn, een licht voor hen die in duisternis zijn; 2:20 een leermeester van wie onwetend zijn, een opvoeder van hen die in verstand tekortschieten, omdat je in de Wet de belichaming van de kennis en de waarheid bezit.23
19(Joh 12:48, Rom 2:12, Jak 2:9 & Jak 2:12) Paulus is een besneden Jood en deel van het volk dat God uitgekozen heeft om alle generaties door Zijn Wet nauwkeurig in acht te nemen. Paulus getuigt ook van zichzelf dat hij zich houdt aan de Wet van Mozes. (Han 25:8 & Han 21:24, Rom 2:13, Rom 3:31 & Rom 7:22) Daarom moet het evangelie dat Paulus verkondigt aan de volkeren ook overeenkomen met wat God door Zijn Wet verkondigt met betrekking tot de vreemdeling / bijwoner die onder Zijn volk verblijft. Dit blijkt ook uit dat Paulus aan de gemeente in Korinthe schrijft, dat de generatie van Israël die door Mozes Gods Wet ontving hetzelfde geestelijke voedsel heeft gegeten en dezelfde geestelijke drank heeft gedronke van Christus als zij, onbesnedenen uit de volken. (1Kor 10:1-6) De goede Boodschap (Evangelie) en de leer die God in Zijn Wet heeft laten opschrijven, moet daarom volledig overeenkomen met wat Paulus verkondigt, of Paulus is in overtreding en heeft zich soms valselijk voorgedaan als iemand die zich aan de Wet van Mozes houdt. En dan moet dat wat er in Handelingen en Romeinen staat geschreven over Paulus niet waar zijn.
20Het woordje ‘je’ hoeft in deze verzen niet te verwijzen naar één persoon. Waarschijnlijk spreekt Paulus hier meerdere Joodse broeders in de gemeente aan.
21Jood verwijst naar de Hebreeuwse naam “Jehoeda”. Wat een mooie naam is, met een mooie betekenis. Jehoeda betekent namelijk “aanbidder van JAH”. “JAH” is de verkorte versie van Gods Naam die we terugzien in het woord halleluJA, wat “geprezen zij JAH” betekent.
22Het gaat hier niet alleen om de tien geboden. Alle woorden die God aan hen heeft gegeven, om die als een licht in de wereld te schijnen, zijn goed en waar. (2Tim 3:15-17, Rom 7:12, Deu 4:8)
23Omdat men weet dat de Wet de Leermeester / Gids / Opvoeder en Gods licht is, zijn deze onderwijzers in Gods Wet overtuigd dat zij dit ook zijn. (Gal 3:24, Psa 119:43 & 142, Jes 42:6-7, 49:6, Han 13:47) Ook wij zijn hypocriet als we weten wat goed is in Gods ogen en we doen het niet. (Jak 4:17, Mat 24:45-51)
2:21 Daarom, jij die anderen onderwijst, onderwijs je jezelf niet? Jij die verkondigt: “Je mag niet stelen”, steel jij? 2:22 Jij die zegt: “pleeg geen overspel”, pleeg jij overspel? Jij die van de afgoderij een gruwel hebt, rooft jij het heiligdom?24 2:23 Jij die verheugd bent in de Wet (Gods Woord), beledig jij God door de Wet te overtreden?25 2:24 Want de Naam van God wordt vanwege jullie [wetsovertredingen] gelasterd onder de volken, gelijk het geschreven staat.26 24De gemeente is het heiligdom van God en wordt die niet beroofd wanneer wij iets van de heiligheid ervan wegnemen door het te vermengen met het seculiere?
25De Wet overtreden is volgens Paulus een belediging tegen God. Als je oprecht onderzoekt wat Paulus zegt, dan kun je zien dat hij nooit tegen de Wet van Mozes predikt, maar alleen spreekt tegen het misbruiken ervan. (1Tim 1:8, Han 25:8)
26In de Wet en de Profeten. (Eze 36:23-27)
2:25a Want besneden zijn (overeenkomstig Gods Wet) heeft werkelijk een voordeel, althans, wanneer je doet wat de Wet zegt…
2:25b …maar als je een overtreder van de Wet bent, dan wordt je besnijdenis voor onbesneden beschouwd.27 27Door buiten de Wet te wandelen heeft ook de Jood geen deel meer aan de belofte van Abraham, en dat is waar Paulus juist inzicht in wil geven, opdat eenieder zich zou bekeren van zijn wetsovertredingen en deel daaraan zou hebben.
28Op deze plaats staat in de Peshitta פוקרנה wat geboden betekent. Gods geboden zijn ook Zijn instructies in hoe rechtvaardig voor Hem te leven.
29Het gaat hier over de nieuwe natuur, een besneden hart. (Rom 2:29, 2Pet 1:4, Kol 2:11, 1Pet 1:22-23)
30Zij zullen samen met de Gezalfde regeren en oordelen, wanneer Hij komt om in Gods Naam recht te spreken. (Mat 12:41-32, 1Kor 6:3, Open 20:4-6)
31In de tijd van Paulus dacht men dat alleen wie Joods was, deel had aan de belofte. (Han 10:28-35, 11:17-18) De geadresseerden begrijpen dat met ‘Jood’ verwezen wordt naar iemand die deel heeft aan de belofte met het eeuwige leven.
2:26 Zo ook, wanneer een onbesnedene de rechtvaardigheid28 van de Wet in acht neemt, zal zijn onbesneden staat dan niet beschouwd worden als voor besneden? (Jes 56:1-8) 2:27 En de onbesnedene, die de Wet vervult vanuit zijn natuur,29 zal jou, die met de letter en de besnijdenis, de Wet overtreedt, oordelen.30 2:28 Want niet hij is een Jood, die het uitwendig is; niet [hij] die zichtbaar in zijn vlees besneden is. 2:29 Maar hij is een Jood31, die het in het verborgene is; die van de besnijdenis van het hart, door de Geest32, niet vanwege de letter33, van wie de glorie niet van mensen komt, maar van God.34
32Om deel te hebben aan de Joodse Messias en de belofte, moet zowel Jood als niet-Jood van hart besneden zijn. De fysieke besnijdenis en het fysiek deel uitmaken van Gods uitgekozen volk is het schaduwbeeld dat daarnaar verwijst. (Rom 8:13, Kol 2:11)
33Niet omdat iemand geboren is als Jood, uit het nageslacht van Abraham en op de 8ste dag besneden is, maakt dat hij daardoor automatisch deel zoiu hebben aan de belofte. God heeft dit niet beloofd door de letter (Zijn Woord). Ook zijn hart moet besneden worden door Gods Geest en Woord.
34Omdat alleen God het hart kan besnijden, komt de lof van Hem.
3 3:1 Welk voordeel heeft de Jood dan? Of wat voor nut heeft de besnijdenis?1 3:2 Veel, in alle opzichten. Want ten eerste zijn hun de woorden van God2 toevertrouwd.
1Hoe er onder de Joden gedacht wordt over het zijn van het besneden nageslacht van Abraham in relatie tot de rechtvaardiging door God, is de basis en essentieel om de volgende zaken te begrijpen.
2Gods Wet is de belichaming van de waarheid en de kennis van hoe door geloof zalig te worden en deel te hebben aan de belofte. (2Tim 3:15, 1Tim 1:8-10, Rom 2:13 & Rom 2:18-20)
3:3a Want als sommigen van hen (Gods fysiek uitgekozen volk) niet trouw waren,3 zal hun ontrouw… 3Aan de woorden van God.
4Het Griekse grondwoord πίστις (pistis) betekent naast geloven ook trouw (loyaliteit), en omdat het hier over de πίστις (pistis) van God gaat en de context daarbij over gehoorzaamheid spreekt, gaat het hier zonder twijfel over trouw en niet alleen over geloof. De verwante Griekse woorden in dezelfde zin en daaromheen zijn hiermee verbonden en spreken daarom ook over trouw of ontrouw en niet alleen over vertrouwen (geloven). Voor meer informatie hierover kun je de studie lezen: “De rechtvaardige zal leven door …”. 3:3b …de trouw4 van God te niet doen? (Zal God, omdat sommigen ontrouw zijn, Zijn afspraken / verbonden met heel Zijn volk dan verbreken?)
3:4 Absoluut niet! Want God is waarachtig (spreekt waarheid en komt al Zijn woorden na), maar de mensheid is niet waarachtig (spreekt leugens en is ontrouw). Zoals het geschreven staat: “Zodat U rechtvaardig wordt bevonden in Uw woorden en overwint in Uw rechtsgedingen.” 3:5 Indien nu onze onrechtvaardigheid (wetsovertredingen) Gods rechtvaardigheid bevestigt, wat zullen wij [dan] zeggen? [Dat] God die wraak uitvoert onrechtvaardig is?5 (Ik spreek [dit] overeenkomstig de mens.6) 3:6 Absoluut niet! Want hoe zal God anders de wereld oordelen?
5(Deu 32:35, Rom 12:19, Heb 10:30)
6Misschien dat Paulus hiermee bedoelt dat hij dit schrijft overeenkomstig het denken van de onvernieuwde mens; overeenkomstig het redeneren dat verduisterd is door de wil van het vlees. (Efe 4:17-24, Rom 8:5)
3:7 Want als de waarheid van God door mijn leugen7 werd bevorderd tot Zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als een zondaar verdoemd? 3:8 Of is het (gelijk sommigen ons valselijk hebben beschuldigd en zeggen dat wij verkondigen): “Laat ons het kwade doen, zodat het goede [daaruit] voortkomt.” De verdoemenis8 van hen is rechtvaardig. 3:9 Wat dan? Worden wij (besneden Joden) voor beter gehouden?9 Nee, zeker niet; want wij hebben al eerder besloten dat beiden, Joden en niet-Joden, dat zij allen onder de zonde staan.10 3:10 Overeenkomstig geschreven staat: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een; 3:11 Er is niemand die begrijpt, niemand die God zoekt. 3:12 Zij zijn allen afgeweken, tezamen zijn zij verdorven. Er is niemand die goed doet, zelfs niet één. 3:13 Hun keel is een open graf; met hun tongen misleiden zij; vergif van adders is onder hun lippen. 3:14 Hun mond is vol van vervloeking en bitterheid; 3:15 Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; 3:16 Vernieling en ellende zijn in hun wegen; 3:17 De weg van vrede hebben zij niet gekend. 3:18 Vrees voor God staat hun niet voor ogen (dat Hij ons naar onze werken zal oordelen).11 3:19 Nu weten wij dat wat de Wet zegt, zij spreekt tot hen die onder de Wet zijn, opdat elke mond wordt gestopt en de gehele wereld schuldig staat tegenover God.12 7Paulus bedoelt hiermee niet te zeggen dat hij een leugen zou hebben verkondigd. Paulus heeft het hier over valse beschuldigingen van anderen over wat hij geleerd zou hebben. (Zie vers 8, Han 21:24, 25:7-8)
8De vernietiging in de poel van vuur/de hel. (Open 20:14)
9Oordeelt God de Joden naar een andere maatstaf dan de niet-Joden? Hebben zij er dan geen voordeel mee dat zij Gods Wet hebben ontvangen? (Rom 3:1)
10Er is geen volwassene die kan zeggen dat hij zonder zonde is; wij allemaal hebben gezondigd en staan schuldig voor God. (1Joh 1:8) Wij allemaal moeten bevrijd worden van de slavernij onder de wet van de zonde. (Rom 6:18, 7:23)
11Paulus citeert hier voor de Joden een aantal uitspraken uit Psalm 5, 10, 14, 36, 53 en Jesaja 59, om hen te laten zien dat ook het Joodse volk schuldig staat tegenover God, net als alle andere volken. Hiermee wil hij hen doen inzien dat ook zij, besneden Joden, verdoemd zijn als ze zich niet bekeren van hun overtredingen en God hen niet zou vergeven uit genade. Met deze citaten wil Paulus niet zeggen dat niemand zich werkelijk kan bekeren van zijn slechte wegen en rechtvaardig kan leven. Dit kunnen we begrijpen uit het feit dat de Bijbel getuigt van mensen die wel God vreesden en rechtvaardig leefden. (Luk 1:6, 6:43-45, 2Kor 7:11)
HANDELINGEN 10:34-35 “En Petrus opende zijn mond en zei: Waarlijk begrijp ik, dat God niet partijdig is (niet alleen de besneden nakomelingen van Abraham aanneemt als Zijn kinderen), maar onder alle volken diegene die Hem vreest en doet wat recht is, aanvaardbaar is voor Hem (die neemt Hij aan).”
12Zij die de Wet hebben ontvangen en kennis daarvan hebben. Paulus is hier nog altijd zijn vraag uit vers 9 aan het beantwoorden; dat Joden niet beter zijn dan hen die geen Jood zijn. Daarbij heeft Paulus ook eerst gezegd dat het ontvangen van Gods wet/woord iets goeds is, in het voordeel van de Joden ten opzichte van de andere volken. (Zie vers 1-2) God had Abraham en zijn nageslacht lief en heeft toen het nageslacht ging afdwalen van de belofte, de daden waardoor zij afdwaalden, opgesloten onder zonde door ze vast te leggen in de Wet. (Gal 3:19-24) Dit deed Hij om bekend te maken door welke daden wij mensen geen deel hebben aan de belofte van Abraham. Daarom is de Wet ook de leermeester die ons inzicht geeft in wat zonde is, de daden waarvan we ons moeten bekeren willen we leven… (Psa 19:8, 2Tim 3:15-17, 1Tim 1:8-10, Han 17:30) Maar door ons te bekeren van onze wetsovertredingen worden wij niet, doordat we nu wel de Wet naleven, uit werken gerechtvaardigd/vergeven. De Wet getuigt samen met de profeten dat God uit genade zal moeten vergeven (onze wetsovertredingen zal moeten rechtvaardigen). De Wet wijst niet werken aan als de manier waaruit, of de basis waarop, God ons mensen hun overtredingen rechtvaardigt. Ook de dierenoffers konden dit niet bewerken. (Micha 6:7, Heb 10:4-5) Wel bevatten ze de geestelijke onderwijzing en verwijzing naar het Offer waarin God zelf zou en moest voorzien: het ware bloed dat verzoening kan doen. (Lev 17:11, Jes 53:10B) Als we kijken naar de verschillende wetten van de verschillende landen in de wereld, bestaat er dan een land dat een wet heeft die de overtreders ervan rechtvaardigt op basis van het feit dat ze zijn gestopt met het overtreden van hun grondwet, zonder voor de schuld van de overtreding te betalen? Ook Gods Wet werkt niet zo. (Gal 2:15-16, Gal 2:21, Gal 3:11 & Gal 3:21, Han 13:38-39) Want niet alleen zij die zonder kennis van de Wet gezondigd hebben, staan schuldig tegenover God, maar ook zij die met kennis van de Wet hebben gezondigd, zoals Paulus dat eerder ook benoemde. (Rom 2:12)
3:20 Daarom zal ‘uit werken van de wet’13 voor Hem geen vlees gerechtvaardigd worden; want door de Wet is er de correcte kennis van zonde 14 3:21 Maar nu is er naast de Wet (de geschreven tekst), al getuigen de Wet en de Profeten ervan, Gods rechtvaardigheid geopenbaard:15
13In de toelichting kun je een uitleg vinden over de uitdrukking ‘uit werken van de wet’. 1.1
14(Psa 19:8-10, Psa 119:104-105, Spr 6:23). 15De Wet getuigt samen met de Profeten van de rechtvaardige manier van handelen van God; naast dat ze getuignen van Gods rechtvaardigheid wanneer Hij vergeeft, geven ze ook inzicht in waarom het rechtvaardig is wanneer Hij hen die zich niet bekeren van hun wetsovertredingen, zal veroordelen en vernietigen in de hel. (Zie vers 8)
3Er is geen onderscheid tussen een besneden nakomeling van Abraham of een onbesnedene uit de volken, wanneer zij zich bekeerd hebben van hun wetsovertredingen/zonden en hun geloofstrouw stellen in God en Zijn Gezalfde. (1Kor 7:19) 3:22 Namelijk de rechtvaardigheid van God, door de geloofstrouw van Jesjoea de Gezalfde, tot allen en over allen die door geloof trouw zijn aan Hem, want er is geen onderscheid.3
3:23 Want allen hebben gezondigd en schieten [daardoor] tekort in de heerlijkheid van God,4 3:24 en worden uit Zijn genade, zonder te betalen,5 gerechtvaardigd door de loskoping die er is in de Gezalfde Jesjoea; 3:25 Hem heeft God publiekelijk getoond [als het] verzoeningsoffer, door geloof in Zijn bloed6, omwille van onze vroegere zonden die we hadden begaan in de tijd die God ons onder Zijn verdraagzaamheid heeft gegeven,7 3:26 om Zijn rechtvaardigheid (Zijn rechtvaardige manier van handelen) te tonen in deze tijd; opdat Hij rechtvaardig zou blijken te zijn [wanneer Hij] recht spreekt en rechtvaardigt diegene die uit de geloofstrouw van Jesjoea de Gezalfde is.
17God heeft ons gemaakt om naar Zijn beeld te zijn, opdat wij naar waarheid Gods heerlijkheid zouden laten zien in deze wereld. Nu, God is volkomen goed, er is geen onrecht in Hem. (Mat 19:17, Jak 1:17) Daarom weerspiegelen wij God niet in waarheid en beschadigen we Zijn Naam, wanneer wij datgene doen wat slecht is. (Rom 2:24)
18De prijs die moet worden betaald om de schade die wij door onze zonden bij God en Zijn schepping hebben aangericht te herstellen, ligt ver buiten ons bereik om daarin te kunnen voorzien. Hoe goed en hoeveel onze werken ook zouden zijn, ze kunnen verreweg nooit de schade bij God verzoenen.
6Dit betekent niet dat er vergeving is door alleen te vertrouwen, zonder trouw te zijn. Dit is ook op te maken uit de rest van dit vers. Het Griekse en Aramese woord dat hier vertaald is met geloof, betekent ook trouw. (Zie het commentaar bij vers 3:4b)
7De tijd waarin God verdraagzaam was, is tijd die wij mensen ontvangen om tot inkeer te komen en ons te bekeren van onze zonden / daden van ontrouw. (Rom 2:4) Zonder te breken met het bewust zondigen schenkt God geen vergeving. (Joh 12:37-40, Dan 4:27, Jam 4:8) Gods Wet overtreden is zondigen. (1Joh 3:4, Rom 3:20, Rom 7:7)
3:27 Waar is dan het roemen? Die is uitgesloten. Door welke wet (onderwijs / leer21)? Die van werken?22 Nee! Maar door de wet (onderwijs / leer) van de geloofstrouw. 3:28 Wij concluderen dan, dat de mens ‘uit de geloofstrouw’ gerechtvaardigd wordt23 en niet ‘uit werken van de wet’. 3:29 Of is Hij alleen de God van de Joden en niet van de volken?24 Ja, ook van de [andere] volken! 3:30 Omdat er werkelijk één God is, Die de besnedenen rechtvaardigen zal uit geloofstrouw evenals de onbesnedenen uit geloofstrouw. 3:31a Stellen wij dan de Wet buiten werking door de geloofstrouw (het geloof)?25
21Zowel het Griekse woord νόμος (nomos), het Aramese woord נמוסא (namoesa) als het Hebreeuwse woord תורה (torah) kunnen naast “wet” ook “instructies / onderwijs of leer” betekenen. Gods geboden zijn ook de instructies in hoe rechtvaardig te leven, ze leren ons hoe Hij wil dat wij met elkaar leven. (Deu 4:8, 1Tim 1:5)
22Uit wat Paulus elders heeft geschreven en de context waarin hij dit schrijft, is op te maken dat hij hier spreekt over de leer van de Farizeeën; dat iemand niet het bloed van Jesjoea nodig heeft, maar alleen uit werken gerechtvaardigd wordt. Hiernaar verwijst Paulus ook met de uitdrukking ‘uit werken van de wet’. Paulus heeft het hier niet over dat we Gods Wet niet in acht moeten nemen, maar over een leer die Gods Wet verkeerd gebruikt.
23Voor meer informatie hierover kun je lezen in de studie: “De rechtvaardige zal leven door ..???..”
24Deze vraag heeft alles te maken met dat er onder het Joodse volk geleerd werd dat als iemand uit de volken deel wil hebben aan de belofte van Abraham (de rechtvaardiging), hij daarvoor eerst Jood moet worden, deel van Gods uitgekozen volk. Dit hield in dat iemand uit de volkeren zich niet alleen moest bekeren en voor God gaan leven, maar ook besneden moest worden, zich schikken onder de Joodse autoriteit en gaan leven volgens de Joodse gebruiken. Deze vraag heeft alles te maken met de uitdrukking “uit werken van de wet”, de leer van de Farizeeën. In de bijbehorende studies kun je een uitleg vinden over de uitdrukking ‘uit werken van de wet’.
25Deze vraag stelt Paulus zodat de lezer nagaat of wat hij denkt over wat Paulus bedoelt, wel correct is. Als we uit Paulus’ uitleg iets anders zouden concluderen dan zijn antwoord op deze vraag, dan vatten wij hem verkeerd op. In het antwoord zien we dat Paulus absoluut niet bedoelt dat we zijn woorden zouden interpreteren alsof we niet gehoorzaam moeten zijn aan Gods Wet. Paulus wil met de uitdrukking ‘uit werken van de wet’ niet waarschuwen om uit te kijken dat we niet Gods Wet zouden onderhouden. Absoluut niet! De waarheid is het tegenovergestelde. Geloof zonder werken is ook dood. Een gelovige die de Wet in acht neemt, is niet slecht, dood of ontrouw, maar juist goed, levend en trouw. Werken zijn noodzakelijk om geen dood geloof te hebben en niet verloren te gaan.
JAKOBUS 1:8 “Wat voor nut heeft het, mijn broeders en zusters, als iemand zegt dat hij geloof heeft en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken?”
Voor het correcte antwoord kun je Jakobus 2:14-24 lezen. Nu, Paulus zelf schreef hiervoor ook:
ROMEINEN 2:6-7 “(God) Die iedereen zal zal vergelden naar zijn daden; aan hen die door te volharden in het doen van wat goed is [in Gods ogen], zoeken naar heerlijkheid, eer en onsterfelijkheid, aan hen geeft Hij het eeuwige leven.”
26In de brieven van Paulus bediscussieert hij niet of we nu wel of niet de Wet van Mozes moeten gehoorzamen, maar de verdraaiingen en het misbruiken ervan.
1 TIMOTHEÜS 1:8 “…wij weten dat de Wet goed is, als men die wettig hanteert (en niet als middel om daardoor gerechtvaardigd te worden, want dat is een onwettig gebruik ervan; daarvoor heeft God Zijn Wet nooit gegeven).”
3:31b Absoluut niet! Integendeel, wij onderhouden de Wet (bevestigen/doen/vervullen de wet).26
DOODLEVEN
Best bekeken in liggende modus
Met deze woorden uit hoofdstuk 2 en 3 snijdt Paulus tussen dat wat naar de dood leidt en dat wat naar het leven. De zaken die Paulus in het begin van zijn brief tegenover elkaar zet, geven de kaders aan waarbinnen de daaropvolgende hoofdstukken geherinterpreteerd moeten worden. Het volgende zet hij hier tegenover elkaar:
DUISTERNIS / MIXLICHT / PUUR
  • Ongehoorzaamheid aan de waarheid, maar gehoorzaam aan de ongerechtigheid (Rom 2:8)
  • Doen van wat slecht/kwaad is (Rom 2:8-9)
  • Zondigen (Wet overtreden) (Rom 2:12)
  • Doen van wat goed is (Rom 2:7 & Rom 2:10)
  • Wet in acht nemen (Rom 2:13-15, Rom 2:25-29, Rom 3:31)
DOODLEVEN

Voor bijbehorende uitleg kun je de volgende studies lezen…


Op het PDF-icoon kun je klikken om Romeinen 2 & 3 met de studie “uit werken van de wet” als PDF te downloaden. Je kunt die dan offline bekijken en uitprinten.