Werken van de wet

Werken van de wet’: wat bedoelt Paulus daarmee?

De uitdrukking ‘werken van de wet’ heeft in de kerkgeschiedenis tot veel verwarring geleid. Velen gebruiken Paulus’ woorden om te beweren dat voor het kruis de mensen uit werken hun zaligheid moesten zien te verdienen bij God, maar dat het nu na het kruis uit genade is door alleen geloof. Maar is dat werkelijk wat hij leert? Wanneer we zijn brieven lezen binnen de context van zijn Joodse broeders en de vragen die destijds speelden, ontstaat er een heel ander beeld. In deze studie onderzoeken we wat Paulus werkelijk bedoelt.

“Wij hebben Abraham als vader”

Uit de volgende twee Bijbelgedeeltes kunnen we opmaken dat er onder het volk geleerd werd, dat God de niet-Joden met een andere maatstaf oordeelt dan hen, het fysieke nageslacht van Abraham.

(Mattheüs 3:7-10 HSV) hij tegen hen: Adderengebroed! Wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn? Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering, en denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken. De bijl ligt zelfs al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur (de hel/gehenna) geworpen. (In Lukas 3:7-10 staat dit ook beschreven.)

Waarom zouden de Farizeeën en Sadduceeën, in verband met Gods komende toorn, denken dat het wel goed zit omdat zij Abraham als vader hebben? Toen Jesjoea met ze sprak over wie een zondaar is en wie straks uit het huis/volk van God zal worden verwijdert, lezen we ook dat ze zich beroepen op het feit dat zij Abraham als vader hebben:

(Johannes 8:39 BaZ) Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: “Abraham is onze vader.” Jesjoea zei tegen hen: “Als u kinderen van Abraham was, dan zou u de werken van Abraham doen.”

Blijkbaar denken ze dat dit belangrijk is en dat het hen een voordeel of bescherming geeft.

In het huidige Judaïsme is er de leer van ‘Zechoet avot’ (verdienste van de voorvaders) en ‘Brit avot’ (verbond van de voorvaders)1. Deze leer vertelt iets over waarom het voor hen zo belangrijk is om fysiek nageslacht van Abraham te zijn in relatie tot Gods genade en het beërven van de belofte. Het is wat genuanceerder dan we hier beschrijven, maar volgens ons komt het op het volgende neer. ‘Zechoet avot’ wordt vergeleken met een spirituele ‘erfenis’ of ‘bankrekening’: de aartsvaders (zoals Abraham, Isaak en Jacob) hebben door hun werken een overschot aan verdiensten opgebouwd, waar hun nageslacht in tijden van nood een beroep op kan doen. Dit geeft geen vrijbrief om te zondigen; de zondaar moet zich bekeren. Maar waar eigen verdienste tekortschiet, wordt dat aangevuld door de verdiensten van zijn voorvaders. Deze rechtvaardiging is gekoppeld aan het verbond ‘Brit avot’ waarbij men een beroep kan doen op de gerechtigheid van de voorvaders, zodat ze genade kunnen ontvangen van God. ‘Zechoet avot’ en ‘Brit avot’ zijn het theologische mechanisme waarmee latere generaties de goddelijke beloften aan de voorvaders (Abraham, Isaak en Jacob) erven, in het bijzonder de belofte van het beloofde land. Dit verband is niet louter genetisch of automatisch; het berust op het verbond (brit avot) en de bewuste identificatie van nakomelingen met het geloof en de daden van hun voorouders.2

In Midrasj Tehillim3 6:1 zegt Rabbi Meir: “Geliefd is de besnijdenis, want de Heilige, geprezen zij Hij, heeft Abraham gezworen dat wie besneden is, niet naar gehenna4 (de hel) zal afdalen.” Beresjiet Rabbah 48:8 (als commentaar op Genesis 18:1) zegt Rabbi Levi: dat Abraham bij de poorten van de hel (gehenna) zit om te voorkomen dat een besneden Jood daarin afdaalt. Een soortgelijke uitspraak staat er in de Babylonische Talmoed5 (traktaat Eroevien 19a): dat Abraham bij de poorten van de hel (gehenna) zit om te voorkomen dat een Joodse zondaars daar aankomen, met uitzondering van wie opzettelijk gemeenschap heeft gehad met een niet-Joodse heidense vrouw. De Joden die zwaar zondigden redt Abraham dus niet; in plaats daarvan neemt hij de voorhuiden van onbesneden Joodse baby’s die stierven vóór hun brit milah (besnijdenis, het verbondsteken) en ent die op deze Joodse zondaars. Hierdoor wordt de besneden staat van de zondaars tenietgedaan, waardoor ze van hun verbondsbescherming worden beroofd en ze gehenna (de hel) kunnen binnenkomen.

De volgende zegen wordt uitgesproken bij een besnijdenis: “Gezegend bent U, Heere onze God, Koning van het universum, U die de geliefde heiligt van de moederschoot, die Zijn verordening in het vlees zet, en zijn nakomelingen verzegelt met het teken van het heilige verbond. Daarom, als een beloning hiervan, heeft de levende God, ons Deel, onze Rots, bepaald dat de geliefde van ons vlees gered wordt van de afgrond (gehenna/hel), vanwege het verbond dat Hij in ons vlees heeft aangebracht. Gezegend bent U, Heere, die het verbond maakt.”

Dit laat iets zien van wat het huidige rabbijns-judaïsme denkt over het zijn van het nageslacht van Abraham en hun redding. Hoever deze leer teruggaat, weten we niet precies, maar hierdoor krijgen we wel een idee van wat er achter de opmerking “we hebben Abraham als vader” van de Farizeeën en Sadduceeën kan zitten. Paulus, die als farizeeër is opgeleid en zich daar met ijver voor heeft ingezet, kent het Farizeïsme door en door, en hij schrijft het volgende:

(Romeinen 10:1-3 BaZ) Broeders en zusters, het verlangen van mijn hart en [mijn] smeekgebed aan God voor Israël, is voor hun zaligheid (redding). Want ik getuig voor hen dat zij ijver voor God hebben, maar niet overeenkomstig de correcte kennis. Want zij hebben de gerechtigheid van God niet gekend, maar zij zochten hun eigen gerechtigheid te bewerken, en daardoor hebben zij zich niet onderworpen aan de gerechtigheid van God.

Paulus schrijft hier dat mensen onder zijn volk, niet de correcte kennis hebben van wat God hen wil leren; dat zij hun eigen gerechtigheid zoeken te bewerken. Hierover spreekt Paulus ook eerder in de Romeinen-brief:

(Romeinen 4:1-4 BaZ) Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees? Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is (iets wat de Farizeeërs leren), zo heeft hij roem, maar niet bij God. Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend. Nu diegene die werkt (om zijn eigen gerechtigheid tot stand te brengen, buiten Gods gerechtigheid en Zijn offer-Lam om), wordt het loon niet toegerekend uit genade (een niet te koop geschenk/een onverdiend geschenk), maar uit schuld (verdienste).

In de Bijbel lezen we dat de Farizeeërs hun eigen overleveringen hebben, hun eigen leer, los van wat God hen door Zijn Wet en de Profeten wil leren. (Mar 7:7-13, Mat 23:) Over hen lezen we ook dat ze de besnijdenis als voorwaarde stellen voor iemand om deel te hebben aan de belofte. (Han 15:1, Gal 6:12) Het dwingen te besnijden heeft alles te maken met dat zij leren dat iemand Joods moet zijn, wil die deel hebben aan de belofte. Zij zien iemand uit de volken, die zich bekeert en besneden wordt, niet meer als een vreemdeling, maar als een ware Jood en deel van het nageslacht van Abraham.

De Bijbel leert dat iemand uit de volken deel kan worden van het volk Israël. Denk aan Rachab en alle vreemdelingen die met de kinderen van Israël uit Egypte vertrokken. (Joz 6:22-25, Mat 1:5) Maar dit wil niet gelijk zeggen dat besnijden een van de dingen is die iemand moet doen om deel te krijgen aan de belofte aan Abraham, in wie alle volken gezegend zullen worden. De gedachte dat iemand uit de volken eerst besneden moest worden (fysiek deel moest worden van het volk), was ook niet vreemd onder de Joodse volgelingen van Jesjoea. Over Petrus en zijn broeders lezen we het volgende in Handelingen:

(Handelingen 10:28, 34-36 & 44-47 HSV) En hij (Petrus) zei tegen hen: U weet dat het een Joodse man niet toegestaan is om met iemand van een ander volk om te gaan of bij hem binnen te gaan; (Dit is niet wat God leert maar een Joods gebruik) maar God heeft mij laten zien dat ik niet moet zeggen over een mens (onbesnedene uit de volken) of hij onrein of onheilig is (door een visioen waarin mensen vergeleken werden met dieren)[…] …En Petrus opende zijn mond en zei: “Waarlijk begrijp ik, dat God niet partijdig is (niet alleen de besneden nakomelingen van Abraham aanneemt als Zijn kinderen), maar dat onder alle volken diegene die Hem vreest en doet wat recht is, aanvaardbaar is voor Hem (die neemt Hij aan).” Dit is het woord dat Hij gezonden heeft tot de Israëlieten, waardoor Hij vrede verkondigt door Jesjoea de Gezalfde; Deze is de Heer van allen (Jood en niet-Jood)[…] …Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden. En de gelovigen die van de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat de gave van de Heilige Geest ook op mensen uit de volkeren uitgestort werd, want zij hoorden hen spreken in vreemde talen en God grootmaken. (De heilige Geest is het onderpand en getuigt dat iemand deel heeft aan de belofte. Dat iemand uit de volken die kon ontvangen was ongekend voor de Joodse besneden volgelingen van Christus, die waarschijnlijk van de Farizeeërs hadden geleerd dat alleen Joden de belofte konden ontvangen. Zij hadden in de jaren na de dood en opstanding van Christus dit nog nooit eerder gezien.) Toen antwoordde Petrus: “Kan iemand soms het water weren, zodat deze mensen, die evenals wij de Heilige Geest ontvangen hebben, niet gedoopt zouden worden?”

Wanneer Petrus met zijn broeders terug komt in Jeruzalem lezen we over de reactie van andere Joodse broeders:

(Handelingen 11:1-5a & 11-18 BaZ) De apostelen en de broeders die in Judea waren, hoorden dat ook de mensen uit de volken het Woord van God aangenomen hadden. En toen Petrus naar Jeruzalem opgegaan was, onderzochten zij die van de besnijdenis waren (gelovige Joden), hem en zeiden: U bent binnengegaan bij mannen die onbesneden zijn, en u hebt met hen gegeten. Maar Petrus begon het hun in goede orde uiteen te zetten en zei: Ik was in de stad Joppe aan het bidden… […] …En zie, op dat moment stonden er drie mannen voor het huis, waar ik verbleef, die gezonden waren door Cornelius uit Cesarea. En de Geest zei tot mij, dat ik met hen mee moest gaan en niet moest twijfelen. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn binnengegaan in het huis van de man. En hij vertelde ons, hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond en tot hem zei: Zend mannen naar Joppe en ontbied Simon, die ook Petrus genoemd wordt; die woorden tot je zal spreken, door welke jij en heel je huis zalig zullen worden (leven, zie vers 18). En toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin. En ik herinnerde mij de woorden van onze Meester, hoe Hij zei: “Johannes doopte wel met water, maar jullie zullen met de Heilige Geest gedoopt worden.” Als dan God dezelfde gave gegeven heeft aan hen die geloofstrouw stelden in onze Heer Jesjoea de Gezalfde, evenals aan ons, wie ben ik dan dat ik macht zou hebben om God tegen te houden? En toen zij (de gelovige broeders die van de besnijdenis waren) dit hoorden, waren zij gerustgesteld, en zij verheerlijkten God en zeiden: “God heeft dus ook aan de volken bekering geschonken [die leidt] tot het leven.”

Uit deze reactie kunnen we opmaken dat onder de discipelen van Christus in de eerste eeuw, gedacht werd dat de belofte alleen voor de besneden Joden was. Nu, God heeft aan de nakomelingen van Abraham een voordeel gegeven, maar niet zoals sommigen onder het volk denken. (Rom 3:1-2)

Paulus waarschuwt: een hoorder zijn is niet genoeg

Door heel hoofdstuk 2 van de Romeinenbrief waarschuwt Paulus zijn gelovige Joodse broeders dat zij niet moeten denken dat zij niet naar hun werken zullen worden geoordeeld. (Rom 2:5-8) Als zij zich niet volledig bekeren van hun ongehoorzaamheid aan God en Zijn Wet, zullen ook zij geen deel hebben aan de belofte en de rechtvaardiging, maar zullen zij verloren gaan. (Rom 2:5, 8-9, 12) Vervolgens zet Paulus in hoofdstuk 2 de volgende uitspraak neer:

(Romeinen 2:13 BaZ) Want niet zij die de Wet horen, zijn immers rechtvaardig voor God, maar de daders van de Wet zullen gerechtvaardigd worden.

Paulus schrijft dit niet aan mensen uit de volken, maar aan zijn Joodse broeders die door God zijn uitgekozen om voor altijd Zijn Wet te onderhouden en door te geven. (Exo 20:5-6, 31:16, Num 15:22-23, Deu 6:2, 29:15) Hij benoemt ook dat zij de Wet kennen (Rom 2:18), en hier waarschuwt hij hen: als zij alleen hoorders van de Wet zijn en geen daders, dan zijn zij voor God niet rechtvaardig (wandelen zij niet rechtvaardig) en zullen zij ook niet door Hem gerechtvaardigd worden.

Dat Paulus ervan overtuigd is dat de Wet in acht genomen moet worden, komt naar voren in wat hij voor deze uitspraak in vers 13 schreef, en blijkt eveneens uit het voorbeeld dat hij direct daarna beschrijft. Hij legt uit dat wie van hen Gods Wet overtreedt, Zijn Naam lastert en geoordeeld zal worden door de mensen die wél de Wet in acht nemen, ook al zijn zij onbesneden. Om hen te helpen dit in te zien, stelt hij zijn Joodse broeders de vraag: “Wordt een onbesnedene die de Wet in acht neemt en vervult, niet door God beschouwd als een besneden Jood?” (Rom 2:25-29) Paulus weet dat in hun ogen, wanneer iemand door God als een besneden Jood wordt beschouwd, diegene dan ook deel heeft aan de belofte met het eeuwige leven: de rechtvaardiging. Daarbij wijst Paulus hen erop dat wie de Wet in acht neemt, besneden is van hart. (Rom 2:28-29) Hiermee spreekt Paulus, die het Farizees6 judaïsme door en door kent, zijn broeders aan op een valse leer van de Farizeeën waarmee zij bekend zijn: de leer dat iemand uit de volken eerst Jood moet worden, wil diegene deel krijgen aan de belofte. En om Jood te worden moet elke man die uit de volken komt zich eerst laten besnijden. Daarom lezen we ook in de Bijbel dat Joden uit het Farizees Judaïsme dwingen om te besnijden. (Gal 2:3, 6:12, Han 15:1)

Wat betekent ‘werken van de wet’?

In hoofdstuk 3 en 4 legt Paulus aan hen uit dat God door Zijn Wet of door de Profeten niet deze leer van de Farizeeërs leert, maar dat het gebaseerd is op een verkeerde interpretatie van de Schrift. (Rom 4:9-12) Hij begint met uit te leggen dat ook het Joodse volk schuldig staat tegenover God en niet moet denken dat het beter is dan de andere volken; net als zij is het doemwaardig. (Rom 3:9-20) Uit welk volk je ook komt: iedereen zal door God vergeven moeten worden. Daarna wijst Paulus zijn Joodse broeders erop dat alleen door de geloofstrouw van de Messias God ons kan rechtvaardigen. (Rom 3:21-26) En dat niemand zich kan beroemen op het feit dat hij fysiek nageslacht van Abraham is. (Rom 3:27-29) In deze context spreekt Paulus over het ‘uit werken van de wet’ zijn. Deze uitdrukking staat in directe relatie met de vraag: “Is God alleen de God van de Joden?” (Rom 3:28) Met andere woorden: “Zal God alleen de Joden redden en niet iemand uit de andere volken? Moet iemand dan eerst een Jood worden?” ‘Werken van de wet’ verwijst niet alleen naar de gedachte dat iemand zijn eigen rechtvaardiging bij God zou moeten verdienen door extra daden van rechtvaardigheid, maar naar de valse leer dat iemand eerst Jood moet worden en zich moet houden aan Joodse / Farizese door mensen bedachte geboden. Met ‘werken van de wet’ wil Paulus absoluut niet leren dat Gods Wet niet meer in acht genomen hoeft te worden. (Rom 2:7-13, 25-27, 6:16-19, 7:1) Dit maakt Paulus ook duidelijk wanneer hij aan het einde van hoofdstuk 3 zijn Joodse broeders vraagt om over het antwoord op de volgende vraag na te denken:

(Romeinen 3:31a BaZ) Stellen we dan de Wet buiten werking door de geloofstrouw (het geloof)?

Paulus zelf beantwoord ook deze vraag:

(Romeinen 3:31b BaZ) Absoluut niet! Integendeel, wij onderhouden de Wet (bevestigen / doen / vervullen die).

Rechtvaardiging is een geschenk, geen verdienste

Wanneer Paulus leert dat alleen de daders van de Wet gerechtvaardigd worden, moeten we daar niet uit concluderen dat wij uit werken van de Wet onze zaligheid zouden kunnen of moeten verdienen. In de Galaten- en Romeinenbrief corrigeert Paulus de gedachte dat rechtvaardiging ooit te ontvangen zou zijn door de Wet in acht te nemen. (Rom 2:19-22, Gal 2:15-16, 21, 3:11, 21) Hij legt uit dat dit nooit de functie van de Wet is geweest, maar dat een belangrijke functie van de Wet is om ons te onderwijzen in wat rechtvaardig is en wat zonde is. (Rom. 3:20, 7:7) Dit is één van de belangrijke redenen waarom God niet alleen Zijn woorden, maar ook Zijn Geest en Zijn Gezalfde in de wereld gezonden heeft. (Joh 7:7, 12:40, 16:8, Jak 4:8, 1Joh 1:7, Psa19:8) God wil ons mensen namelijk helpen inzien door welke daden wij tegen Hem zondigen en ons van Hem verwijderen. Dit doet Hij uiteraard uit liefde, in de hoop dat wij zouden weten wat de slechte werken zijn waarvan we ons moeten bekeren, zodat Hij ons kan vergeven en rechtvaardigen. Het ontvangen van de belofte blijft een niet te verdienen geschenk uit genade: iets dat God alleen schenkt op basis van het perfecte offer dat Zijn Zoon gebracht heeft. Buiten Zijn bloed om bestaat er geen vergeving.

Zoals we net schreven: ook voordat Gods Zoon de straf voor de zonden van Zijn volk droeg, was er niet de mogelijkheid om uit werken gerechtvaardigd te worden van vroegere wetsovertredingen. (Rom 2:19-22, Gal 2:15-16, 21, 3:11, 21) Het bloed van dieren heeft dat nooit bij God kunnen bewerken. (Heb 10:4) Gods Gezalfde moest ook sterven voor de zonden van Abraham, David en ieder mens die vóór Christus leefde. Hij is werkelijk de enige weg naar de Vader.7 (Joh 14:6)

Besnedenen en onbesnedenen samen Gods volk

Dat sommige Joden eisen dat iemand fysiek besneden moet zijn, is niet geheel onlogisch, gezien het feit dat God Abraham en zijn nageslacht in verband met de belofte ernstig heeft opgedragen om niet nalatig te worden wat betreft de besnijdenis. (Gen. 17:9-14) Maar Paulus pleit met zijn volk en onderbouwt in zijn schrijven, dat Gods Wet niet eist dat de onbesnedenen uit de volken zich eerst moeten laten besnijden om deel te krijgen aan de belofte. God gebiedt in de Wet van Mozes8 niet dat een vreemdeling verplicht besneden moet zijn om in het land en onder het volk te kunnen wonen. Wel eist God dat diegene zich houdt aan de Wet die Hij gegeven heeft. (Deu 18:9-14, 16:10-11,26:1-11, 31:12, Num 15:13-16, 19:10, 22-26, Lev 16:29, 17:12, 18:26, 24:16-22) De vreemdeling die bij het volk wil horen, mag geen afgodendienaar zijn en moet de God van Abraham in heiligheid dienen. (Num15:30-31) De Wet van Mozes is de door God gegeven grondwet voor Israël en moet in het land in acht genomen worden. Dat Paulus ervoor pleit dat de onbesnedene zich niet hoeft te laten besnijden om deel te worden van Gods volk en deel te krijgen aan de belofte, betekent niet dat hij daarmee ook wil zeggen dat zijn volk, het nageslacht van Abraham, hun kinderen niet meer moet besnijden. Integendeel: door wat er in Handelingen 21:21-24 opgeschreven staat, kunnen we begrijpen dat Paulus dit zeker niet leerde. Dat Paulus zou leren dat zijn Joodse broeders hun zonen niet meer moeten besnijden, is een onjuiste opvatting. We lezen ook in Romeinen 2:25 en 3:1 dat Paulus leert dat het werkelijk een voordeel heeft om een besneden / Jood te zijn ten opzichte van een onbesneden buitenlander. (Rom 9:4)

Eén volk, verschillende roepingen

Het volgende schrijft Paulus ook aan de gemeente in Korinthe:

(1 Korinthe 7:18-20 BaZ) Is iemand als besnedene geroepen, laat hij [dat dan] niet ongedaan maken; is iemand als onbesnedene geroepen, laat hij zich dan niet besnijden. Besneden zijn of onbesneden zijn daar gaat het niet [zo zeer] om, maar het onderhouden van Gods geboden. Laat een ieder in de roeping blijven waarin hij was geroepen.

Het nageslacht van Israël heeft net een andere roeping / opdracht van God dan de bekeerlingen uit de andere volken. Maar toch horen ze bij elkaar. De vreemdeling wordt ingeënt op Israël.9 (Rom 11:17-18, Efe 2:11-12, Rom 9:4, Jer 31:33) Samen zijn ze één volk met één grondwet. Ook hebben ze hetzelfde doel, maar met een iets verschillende roeping / opdracht in wat God door hun levens wil verkondigen.

Het volgende heeft God het nageslacht van Abraham opgeroepen te doen, al hun generaties door:

(Genesis 17:11-13 HSV) U moet het vlees van uw voorhuid laten besnijden en dat zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en u. Elk kind bij u van acht dagen oud, al wie mannelijk is, moet besneden worden, al uw generaties door: degene die in uw huis geboren is én degene die van enige vreemdeling voor geld gekocht is, die niet tot uw nageslacht behoort. Degene die in uw huis geboren is én degene die met uw geld gekocht is, moeten zeker besneden worden. Zo zal Mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn.

De besnijdenis is het teken, niet van het Sinaï-verbond, maar van het verbond van de belofte met Abraham. Het is goed om daarbij te beseffen dat Gods Zoon dit verbond met Abraham heeft bevestigd met Zijn bloed. (Gal 3:13-16, 2Kor 1:20)

De roeping van de besnedenen

Door het fysieke nageslacht van Abraham op te dragen zich al hun generaties door te besnijden, vertelt God door deze fysieke opdracht over de belangrijke geestelijke realiteit: dat het hart besneden moet worden, wil iemand deel worden van het ware nageslacht van Abraham en deel hebben aan de belofte. Het fysiek uitgekozen zijn en het teken van de besnijdenis dragen is belangrijk en geeft werkelijk een voordeel (Rom 2:25, 3:1, 9:4), maar het is een schaduwbeeld, een onderwijzing van het geestelijke, niet de geestelijke werkelijkheid zelf. Als we uitwendig van vlees besneden zijn op de achtste dag na onze geboorte, zegt dat niets over of we ook van hart besneden zijn. Daarom schreef Paulus ook: “Niet hij is een Jood die het uitwendig is, maar hij is een Jood die het in het verborgen is; die van de besnijdenis van het hart.” (Rom 2:26-29, 9:6-10) Wie is er dan werkelijk een Jood? Wie heeft er dan werkelijk deel aan Gods volk en de belofte, volgens Paulus? Hieruit volgt dat de besnijdenis van het hart noodzakelijk is om deel te hebben aan de belofte, voor zowel wie een besneden Jood is als zij die zich bekeren uit de volken.

De roeping van de onbesnedenen

De tweede getuige, waardoor God verkondigt dat het draait om een besneden hart, geeft Hij door de onbesneden godvrezende vreemdeling toe te staan om onder Zijn volk te wonen in het land dat deel is van de belofte aan Abraham. (Lev 19:33-34a, Jes 56:3, Hand 10:34-35) God liet ook Abraham voor een lange tijd als onbesneden vreemdeling daarin verblijven. (Gen 15:18) Ook voordat Abraham zich van God moest laten besnijden, had hij zijn land en familie verlaten en werd hij een Hebreeër genoemd. (Gen 14:13) Als onbesnedene werd zijn אמן (aman)10 (geloof / trouw) hem toegerekend tot gerechtigheid. (Gen 15:6, Neh 9:7-8, Jak 2:22-23) Door Jesaja heeft God gesproken dat de vreemdeling en de ontmande – deze twee die niet besneden zijn – toch deel hebben aan de belofte wanneer zij daders zijn van de Wet. (Jes 56:1-8) Door de onbesneden, godvrezende vreemdeling niet te verplichten zich te besnijden en toch toe te staan in het beloofde land te wonen, vertelt God vanuit een ander perspectief over Zijn koninkrijk. Waarschijnlijk vooral voor het Joodse volk laat God door de vreemdeling zien dat het gaat om een besneden hart: een hart dat verlangt om God met alles te dienen en zich volledig geeft om Zijn geboden daarin te laten schrijven. Iemand die wil wandelen in de voetsporen van Abraham en, net als David (die een ware zoon van Abraham was), vreugde vindt in Gods Wet en ernaar streeft die te vervullen. (Deu 10:16, Rom 2:26-29, 4:12) Als God tegen een onbesnedene van wie het hart besneden is zou zeggen: “Ik wil dat je je besnijdt”, dan zou hij net als Abraham reageren en zich laten besnijden. (1Kor 7:19)

Deze twee, de besneden Joden en de onbesneden bekeerlingen uit de volken, zijn twee belangrijke getuigen die God geeft om vanuit twee verschillende perspectieven één en dezelfde geestelijke waarheid te kunnen overdenken en begrijpen. Door ons twee perspectieven te geven, geeft God ons de mogelijkheid om ons begrip van het ene perspectief te toetsen met het andere. Het is Gods verlangen dat we de waarheid correct verstaan. Als één perspectief niet past bij het andere, dan zijn we nog niet tot de juiste conclusie gekomen.

Onze conclusie

Rechtvaardiging is er nooit geweest uit eigen verdienste, niet voor de Jood en niet voor de bekeerling uit de volken. Het is een geschenk, mogelijk gemaakt door het offer van Gods Zoon. Tegelijkertijd leert Paulus nergens dat de Wet daarom niet meer in acht genomen hoeft te worden. Het draait om een besneden hart: een hart dat verlangt Gods geboden te bewaren en in de voetsporen van Abraham te wandelen. ‘Werken van de wet’ is geen afwijzing van gehoorzaamheid, maar een afwijzing van de gedachte dat fysieke afkomst of rituele handelingen op zichzelf iemand rechtvaardig maken voor God.

Bedankt voor het lezen. Meer informatie kun je vinden op de website: Bijbel-Zwaard.nl
In de toekomst hopen we ook het boek ‘Galaten als Zwaard’ uit te brengen, waarin vanuit de
Galatenbrief in detail uitgelegd wordt wat Paulus bedoelt met de uitdrukking ‘werken van de wet’.


Door te klikken op het PDF-icoon hiernaast kun je de PDF van Romeinen 2 & 3 met de studie “uit werken van de wet” downloaden.